Wijnblog.be

Wijnblog.be

Over deze blog...

Het is de bedoeling om op deze pagina’s bijdragen te plaatsen over recent geproefde wijnen. Het gaat hier dan uiteraard eerder over de persoonlijke appreciatie van een wijn dan over een puntenevaluatie à la Parker. Verder komt er ook ruimte voor andere wijntopics zoals verslagen over wijnuitstappen en –proeverijen, verwijzingen naar interessante wijnsites of artikels over wijn, allerhande wijnweetjes, aangekondigde wijnevenementen enz…

Cognac (2): une petite histoire

WijninfoGeplaatst door pvo 19 jul, 2011 01:24

Terwijl ik het in de eerste aflevering nog vooral had over begrippen zoals geografische afbakening, productiemethode en verschillende cru's, wil ik in deze blogpost wat uitweiden over de historische aspecten van Cognac. Een mooi geschiedkundig relaas dat hier bovendien – want ze werd me verteld door Bernard Bégaud zelf – ook naadloos de historische wortels van onze verblijfplaats mee in verweeft.

Het domein van het echtpaar Bégaud bevindt zich op het grondgebied van het gehucht Villars-les-Bois zoals u in deel 1 reeds kon vernemen. Het domein zelf heeft ook een specifieke geografische aanduiding: la Métairie de la Barre. Het begrip “métairie” verwijst naar een historisch (feodaal) stelsel uit de late Middeleeuwen waarbij een “métayer” aan landbouw deed op gronden waar hij niet de eigenaar van was en in ruil voor het gebruik er van een deel van de opbrengst (meestal 50%) moest afstaan aan de eigenaar van deze gronden (meestal de lokale “seigneur” (edelman) van het dorp en de omliggende gebieden). De aanduiding “barre” zou dan weer afgeleid zijn van “barros”, een oud-Keltische verwijzing die overeenstemt met “haut lieu”. Haut lieu is in deze op 2 wijzen te vatten; het duidt zowel op een heuvelachtige plaats (onze verblijfplaats ligt inderdaad merkbaar hoger dan de omringende wijngaarden en landbouwgronden) als op een verheven grond. Dit laatste verwijst dan weer naar de plaats waar naar alle waarschijnlijkheid een sacrale activiteit (tempel) gevestigd was. De etymologische betekenis van Métairie de la Barre levert in elk geval aanknopingspunten naar bewoning van deze plaats door de Kelten (Galliërs) in de periode 600-100 voor Christus. Van deze Kelten is geweten dat ze aan wijnbouw deden maar dan op een a-typische wijze als je het vergelijkt met de hedendaagse productiewijze. Van nature zou er in deze streek reeds een “vitis vinifera” variant aanwezig geweest zijn. De Kelten teelden deze voor eigen gebruik waarbij ze de druivenstok zoveel als mogelijk ongemoeid lieten. Het terrein rond de druivenstok werd vrijgemaakt van onkruid en bosgewassen maar voor de rest werd deze redelijk “wild” gelaten. Uiteraard was de drank die hiervan gemaakt werd mijlenver verwijderd van de huidige wijnproductie en werd ze naar alle waarschijnlijkheid louter gebruikt voor religieuze aangelegenheden.

Vanaf 60 voor Christus rukt ene J. Caesar in een waar blitzkrieg tempo door Gallië en rijft hij het ene gebied na het andere binnen. Ook deze streken vielen uiteindelijk ten prooi aan de Romeinse gebiedshonger. Met de Romeinen kwam ook de eerste min of meer commercieel geïnspireerde vorm van wijnbouw. Behalve soldij ontvingen de Romeinse legionairs een dagelijks rantsoen van (3 liter!!!) wijn. Logischerwijze moest de lokale wijnproductie dus opgevoerd worden en werd het natuurlijke bosbouw stelsel van de Kelten vervangen door een wijnteelt die reeds veel dichter aanleunde bij de actuele wijnbouw. De Romeinse bezetting leidde er ook toe dat de Keltische bestaanswijze uitgewist werd ten voordele van een Gallo-Romeinse samenlevingsvorm.

Vanaf de 3e eeuw begonnen de Romeinen het gezag over Gallië te verliezen tengevolge van de inval van de Gothen. Eenmaal het westen van het huidige Frankrijk ten prooi was gevallen aan de Gothen, kwam het ook in dit gebied snel tot abrupte veranderingen. De Gothen lieten de door de Romeinen in het leven geroepen wijnteelt- en landbouwmethodes min of meer intact zij het onder andere voorwaarden. De lokale bewoners werd het leven gespaard op voorwaarde dat ze voortaan een soort slavenbestaan aanvaardden waarbij ze 2/3 van de oogst die ze verbouwden, moesten afdragen aan de lokale bezetters. Dit systeem zou uiteindelijk uitmonden in het Middeleeuwse feodaal stelsel waarbij lokale edellieden het merendeel van de opbrengsten van hele dorpen en omliggende gebieden naar zich toe trokken. Ook hier op Métairie de la Barre zijn daar nog sporen van terug te vinden. Het gehucht werd bestuurd door een lokale seigneur die hier een kasteel liet optrekken met specifieke verbindingswegen naar de kerk (aan de rand van het dorp) EN de Métairie de la Barre. Het oudste gebouw op de Métairie dateert overigens van rond de 12e eeuw en geeft aan dat het domein deel uitmaakte van het kerngebied van de lokale seigneur.

Het feodale stelsel werd uiteindelijk tenietgedaan door de Franse Revolutie maar dit betekende daarom niet dat de lokale bevolking bevrijd werd van de armoede. Na de Franse Revolutie werden de eigendommen van de lokale adel genationaliseerd en vervolgens per opbod verkocht. Qua staatsgeorganiseerde hold-up kan dit enigszins tellen! In de praktijk leverde dit in deze streek een mozaïek op aan kleine percelen waarbij de bewoners probeerden te overleven door schapen te hoeden, groenten en vruchten te telen en wijn te verbouwen.

Het gebied van de Métairie de la Barre was minder versnipperd dan sommige overige percelen omdat het na de Franse Revolutie aangekocht werd door notarissen die het steeds onverdeeld verder verkochten.


Terug naar de wijnbouw nu. Hoewel er dus lokaal reeds wijn geproduceerd werd, bevond het zwaartepunt van de wijnproductie zich dichter bij de zee. In de omgeving van wat nu de havenstad La Rochelle is, werden aanzienlijke hoeveelheden witte wijn verbouwd. Dat de productie vooral daar plaats vond was geen toeval want de wijn werd vanaf de 13e eeuw door Hollandse handelaars naar Noord Europa verscheept. De productie vond dus plaats dichtbij de havens van waaruit de wijn geëxporteerd zou worden hetgeen een aanzienlijke besparing qua transport met zich mee bracht.


De plaats van de productie leverde echter ook nadelen op want in de loop van de volgende eeuw vielen plunderaars meermaals de kustgebieden binnen en richtten grote verwoestingen aan. Uit veiligheidsoverwegingen verplaatste men de productie daarom verder landinwaarts. Het is in deze periode dat het stadje Cognac faam begint te verwerven als belangrijk commercieel handelscentrum. In de 14e en 15e eeuw neemt de productie hand over hand toe maar dit gaat wel gepaard met een steile neergang in kwaliteit van de gemaakte wijn.


De verscheping van die wijn zadelt de Hollanders nog met een ander probleem op. Vaak blijkt de licht alcoholische witte wijn niet bestand tegen het verre transport en komt ze totaal bedorven aan in de afzetgebieden. De mercantiele Hollanders denken echter een oplossing gevonden te hebben en introduceren vanuit Afrika alambieken die ze gebruiken om de wijn mee te distilleren. Deze alambieken werden reeds door de Chinezen gebruikt om parfum te vervaardigen door extractie uit bloemen en planten. Het achterliggende idee was om de wijn eerst tot “brandewijn” te distilleren en vervolgens in de afzetgebieden door het aanlengen met water te proberen om het goedje opnieuw tot wijn om te toveren. Het resultaat was niet bepaald een onverdeeld succes en leverde vaak een quasi ondrinkbaar brouwsel op. Het liet de Hollanders wel toe om grote hoeveelheden te exporteren gezien de brandewijn in verhouding veel minder plaats innam op de handelsschepen. Helaas voor de Hollanders lustten hun klanten er niet zoveel pap van en haakten ze in grote getale af.

Inmiddels vond men in de Charente eind 16e of begin 17e eeuw het principe van de meervoudige distillatie uit. Er doen heel wat legendes (o.a. dat van de geestelijke wiens hart door de duivel een 2e maal moest “gekookt” worden omdat hij niet bezweek aan de verleiding na een eerste beproeving) de ronde maar het verhaal van Bernard Bégaud komt me ergens historisch wel relevant over. Een zekere chevalier (Jacques) de la Croix-Marron (de Ségonzac) begint – ontevreden met de resultaten van de enkelvoudige distillatie – te experimenteren door de brouwsels meerdere keren te verhitten en te distilleren. Hij volgt hiermee het spoor van de alchemisten en weet dat dergelijk geëxperimenteer niet zonder gevaar is. De katholieke kerk aarzelt in die periode immers niet om alles wat ook maar een geur van ketterij heeft naar de brandstapel te verwijzen. Onze chevalier beslist dan maar om have en goed te verkopen en treedt toe tot een kloosterorde waar hij de lokale abt weet voor zijn experimenten te winnen. Gedekt door de religieuze zegen van vader abt, distilleert hij de oorspronkelijke wijn tot 5 keer toe, de zogenaamde “quintessence”. Uiteindelijk komt men tot de bevinding dat 2 distillaties volstaan en dat verdere pogingen nog weinig toevoegen aan de kwaliteit die men na 2 beurten reeds bekomt. Het resultaat van deze 2 distillatiebeurten levert een eau-de-vie op die heel wat fijner en hoger in alcohol is dan het brouwsel dat destijds uit de Hollandse alambieken kwam.

Ondertussen hadden de Hollanders ook andere katten te geselen want de Britten snoepten hen de commerciële hegemonie af na een bitse strijd en de vernietiging van de Hollandse koopvaardijvloot. De Britten namen dus ook de handel in “brandewijn” of eau-de-vie over maar principieel veranderde er niets. Het distillaat werd nog steeds gebruikt als basis om met water versneden te worden en als “wijn” geserveerd te worden.

En opnieuw zal het toeval de ontstaansgeschiedenis van Cognac een serieus handje helpen. Er breekt een langdurige periode aan van economische crisis en de export van op vat gestoken eau-de-vie valt stil. De vaten eau-de-vie blijven noodgedwongen liggen in de opslagplaatsen en per toeval ontdekt men jaren later dat het distillaat een zeer gunstige evolutie heeft gekend door dit lange verblijf op vat. De eau-de-vie is niet langer glashelder van kleur maar heeft een karamelkleurige teint verkregen en is qua aroma ook geëvolueerd tot een veel zachter en mooier product. Degustatie van deze verouderde eau-de-vie wees bovendien uit dat deze in feite niet meer aangelengd hoefde te worden met water maar meteen als eindproduct kon verkocht worden. Dit is in feite de geboorte van Cognac zoals we ze nu kennen!

De Britten ruiken hun kans en beginnen vanaf de 18e eeuw her en der in de Charente grote handelshuizen de zogenaamde “Comptoirs” op te zetten. Sommige bestaan nog steeds en het verklaart vooral waarom zoveel grote Cognac-huizen een Angelsaksisch klinkende naam hebben.

Cognac moet echter nog één catastrofe doorstaan nl. de uitbraak van de Phylloxera plaag omstreeks 1875. Deze wijngaardziekte zal het productieareaal tussen 1875 en 1893 herleiden van 280.000 ha tot 40.000 ha. Door het gebruik van Amerikaanse onderstammen waarop de druivenstokken worden geënt, overkomt men ook deze zware slag. De Phylloxera plaag heeft in wezen niets verandert aan het productieproces maar zorgde er wel voor dat de meer resistente Ugni Blanc voortaan de belangrijkste druivenvariant (90%) wordt voor de creatie van Cognac.

In het laatste deel van het drieluik over Cognac gaan we over tot het proeven van eau-de-vie, Cognac en Pineau-des-Charentes!


  • Reacties(1)

Fill in only if you are not real





De volgende XHTML tags zijn toegestaan: <b>, <br/>, <em>, <i>, <strong>, <u>. CSS styles en Javascript zijn niet toegestaan.
Geplaatst door vyve 22 jul, 2011 11:15

allez weer iets bijgeleerd vandaag...wordt nu wel tijd dat er effectief zal geproefd worden, zal anders eens afkomen om te helpen